De landen zelf zijn verantwoordelijk voor jeugdzaken. Brussel en Straatsburg niet.
Dat is de kern. Op Europees niveau is er geen formele bevoegdheid voor het ontwikkelen en uitvoeren van jeugdbeleid. Wél mogen de Europese Unie en de Raad van Europa stimuleren dat landen meer of beter met elkaar samenwerken ten gunste van de ontwikkeling van competenties van jongeren. Voor jeugdbeleid betekent dit dat de Europese Unie niet wetgevend kan optreden, maar gebruik kan maken van een zogenoemde Open Coördinatie Methode.
Brussel stimuleert en coördineert, evenals de Raad van Europa in Straatsburg.
Door instrumenten te bieden die landen en organisaties helpen om van elkaar te kunnen leren. Dat kan de ontwikkeling in de landen zelf verder helpen. Daar zit de kans tot innovatie. Deze instrumenten - subsidieprogramma's en kennisbanken - kunnen alleen ontwikkeld worden als daar een beleidsgrond voor is. Daarom lietde Europese Commissie een Witboek Jeugd het licht zien in 2001. De Raad van Europa werkt al sinds de jaren 80 aan een jeugdbeleid vanuit de gedachte dat het een recht van jongeren is om volwaardig te participeren in de samenleving.
De 27 lidstaten van de Europese Unie hebben onderling prioriteiten vastgesteld om het beleid van en voor jongeren in de verschillende landen te stimuleren. De Europese Commissie coördineert dit. Van de lidstaten wordt gevraagd deze prioriteiten uit te dragen in eigen land. Het jeugdbeleid in Nederland is sterk gedecentraliseerd en wordt vooral binnen de Wet op de Maatschappelijke Ondersteuning vorm gegeven. Nederlandse gemeenten zijn verantwoordelijk voor het creëren van voorzieningen en functies die jongeren helpen zich actief in te zetten voor de (lokale) samenleving.